Geen ontslagvergoeding vanwege recht op bovenwettelijke uitkeringen

De arbeidsovereenkomst van een conciërge in het voorgezet onderwijs werd onlangs door de kantonrechter in Nijmegen ontbonden. De conciërge vroeg om een gouden handruk overeenkomstig de kantonrechtersformule met correctiefactor 1,5.

De kantonrechter kende geen ontslagvergoeding toe wegens substantiële bovenwettelijke aanspraken op grond van de CAO VO. De werkgever moet die bovenwettelijke suppletiebedragen als eigenrisicodrager zelf betalen.

De feiten

De werknemer, 55 jaar oud, was sinds 16 augustus 2002 in dienst van de werkgever. Laatstelijk verrichtte de werknemer conciërgewerkzaamheden tegen een salaris van € 2.443,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 6,4% eindejaarsuitkering.

Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor het voorgezet onderwijs (CAO VO) van toepassing. De CAO VO bevat een regeling van bovenwettelijke uitkeringen (suppleties op de sociale zekerheidswetten zoals de WW) bij werkloosheid.

De werkgever verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van disfunctioneren en een verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer verweert zich tegen de ontbinding en vraagt bij ontbinding om een bruto ontslagvergoeding van € 58.690,59 (C=1,5).

De kantonrechter over de ontbindingsgrond

De kantonrechter stelt op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht vast, dat verdere voortzetting van de samenwerking in redelijkheid niet meer mogelijk is.

Meer concreet stelt de kantonrechter daarover dat het beeld naar voren komt, dat de werkgever na twee assessments besloten heeft werknemer niet in aanmerking te laten komen voor de nieuwe functie hoofd facilitaire zaken en dat de werknemer als gevolg daarvan de functie van conciërge met behoud van het salaris van zijn oude functie coördinator facilitaire dienst is gaan uitoefenen, maar dat de werknemer zich met deze gang van zaken niet heeft kunnen verenigen.

Dat zich niet kunnen verenigen heeft ertoe geleid, aldus de kantonrechter, dat de werknemer de leiding van het nieuwe hoofd facilitaire zaken niet of nauwelijks heeft geaccepteerd en teleurgesteld is in (de houding van) de directie. Een en ander heeft geleid tot een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen.

Geen ontslagvergoeding

De kantonrechter overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat de verstoorde arbeidsverhouding hoofdzakelijk de werkgever te verwijten valt. Het is de beleidsvrijheid van de werkgever om haar organisatie opnieuw in te richten en het is niet aannemelijk geworden dat zij daarbij de belangen van werknemer niet of onvoldoende in aanmerking heeft genomen. Hieruit volgt dat de door werknemer gevraagde vergoeding met factor C=1,5 niet billijk is.

Maar welke vergoeding dan wel? De kantonrechter wijst op de bovenwettelijke uitkeringen op grond van de CAO VO. De werknemer heeft na beëindiging van zijn dienstverband de eerste twaalf maanden recht op 78% en daarna 24 maanden recht op 70% van zijn laatstverdiende salaris en vervolgens heeft hij 66 maanden recht op een aanvullende uitkering van 70% van zijn laatstverdiende salaris.

Deze bovenwettelijke uitkeringen komen in totaal neer op een bedrag van ongeveer € 35.000,00 bruto, ervan uitgaande dat de werknemer geen baan meer vindt. De werkgever is eigenrisicodrager c.q. moet deze kosten zelf dragen.

Gegeven de reden voor het ontslag en de omvang van bovenwettelijke uitkeringen op grond van de CAO VO, kent de kantonrechter geen ontslagvergoeding aan de werknemer toe.

Meer informatie

Terug naar nieuws

Bericht geplaatst op 6 juni 2011

Let op: opent in een nieuw venster PrintE-mail