Donner evalueert nieuwe verwijtbaarheidstoets in de WW en kondigt afschaffing kortingsmaand bij fictieve opzegtermijn aan
Per 1 oktober 2006 is de toets op verwijtbare werkloosheid in de Werkloosheidswet (WW) gewijzigd. De wijziging bewerkstelligde dat de verwijtbaarheidstoets is beperkt tot situaties waarin de werknemer wegens een dringende reden wordt ontslagen en die waarin de werknemer zelf ontslag neemt of de dienstbetrekking op zijn verzoek wordt beëindigd. De beperking van de verwijtbaarheidstoets beoogde het grote aantal pro forma ontslagzaken en de daarmee verbonden kosten te reduceren.
Minister Donner gaat in zijn brief van 20 januari 2010 aan de Tweede Kamer in op de gerealiseerde afname van het aantal pro forma ontslagzaken én de mogelijkheden om het aantal pro forma ontslagzaken verder te beperken.
Gerealiseerde afname van pro forma ontslagzaken
Onderstaande tabel geeft het totaal aantal ontslagzaken (CWI/UWV en kantonrechter) en het aantal pro forma ontslagzaken (eindbeschikkingen geregelde arbeidszaken) weer voor de jaren 2006 tot en met 2008. Zoals de tabel laat zien is zowel het totale aantal ontslagzaken als het aantal pro forma ontslagzaken over deze periode fors gedaald:
| Jaar | Ontslagzaken | Pro forma zaken |
| 2006 | 103.000 | 46.000 |
| 2007 | 57.000 | 23.000 |
| 2008 | 52.000 | 17.000 |
Bij deze tabel moet worden aangetekend dat de afname van pro forma ontslagzaken niet volledig toe te rekenen is aan de beperking van de verwijtbaarheidstoets. De daling van het totale aantal ontslagzaken wordt voor een deel veroorzaakt door de gunstige conjuncturele- en arbeidsmarktontwikkeling in de periode 2006–2008. Donner stelt dat 60% van de daling is veroorzaakt door de gewijzigde verwijtbaarheidstoets.
Waarom worden nu nog pro forma ontslagzaken gevoerd?
Er zijn drie redenen waarom na wijziging van de verwijtbaarheidstoets een pro forma ontbinding nog steeds interessant kan zijn:
- executoriale titel;
- verkorting fictieve opzegtermijn met een maand;
- rechterlijke beschikking is minder gemakkelijk aan te tasten als een vaststellingsovereenkomst.
Donner gaat in zijn evaluatie (alleen) in op de eerste twee redenen.
Executoriale titel
Als de werknemer een executoriale titel heeft, kan hij een deurwaarder inschakelen als de werkgever de ontslagvergoeding niet betaalt. Donner acht deze reden voor het voeren van een pro forma ontslagzaak niet van groot gewicht. Voor het zeker stellen van de vergoeding voor de werknemer kunnen partijen volgens hem namelijk in een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst een ontbindende voorwaarde opnemen die hetzelfde regelt.
Zo’n voorwaarde kan zijn dat de overeenkomst automatisch wordt ontbonden als de werknemer niet voor de overeengekomen datum de ontslagvergoeding van de werkgever heeft ontvangen. Met een dergelijke voorwaarde vervalt volgens Donner de noodzaak voor een pro forma procedure bij de kantonrechter voor het verkrijgen van een executoriale titel ter zekerstelling van de ontslagvergoeding. Het is aan partijen zelf (en hun rechtshulpverleners) om van deze mogelijkheid gebruik te maken en daarmee de (onnodige) gang naar de rechter te voorkomen.
Naar mijn oordeel ziet Donner bij zijn suggestie over het hoofd dat (ook) een werknemer veelal helemaal geen behoefte heeft aan een ontbindende voorwaarde. Veelal is de arbeidsverhouding zodanig verstoord - al dan niet door het beëindigingsoverleg - dat terugkeer van de werknemer geen reële optie is.
Fictieve opzegtermijn
De voornaamste reden voor het voeren van een pro forma ontbinding van de arbeidsovereenkomst is volgens Donner de verkorting van de fictieve opzegtermijn met een maand. De fictieve opzegtermijn houdt het volgende in.
Als een dienstbetrekking eindigt zonder toepassing van de bij opzegging geldende termijn én de werknemer een ontslagvergoeding ontvangt, dan wordt (een deel) van deze vergoeding aangemerkt als loon over een (fictieve) opzegtermijn. De ingangsdatum van de WW-uitkering verschuift in dat geval tot na die termijn.
Bij de ontslagroute via het UWV of de kantonrechter geldt voor de fictieve opzegtermijn een forfaitaire aftrek van één maand op de reguliere werkgeversopzegtermijn, met dien verstande dat altijd één maand moet overblijven.
Als de werknemer en de werkgever de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigen, geldt de forfaitaire aftrek niet. Voor werknemers en werkgever vormt dit een prikkel om niet op basis van wederzijds goedvinden uit elkaar te gaan, maar via de kantonrechter (om een maand WW te "winnen"), ook al is hier geen noodzaak toe.
Wetsvoorstel beperking kortingsmaand
Donner eindigt zijn brief aan de Tweede Kamer dan ook met de mededeling dat hij met een wetsvoorstel komt die de fictieve opzegtermijn zal wijzigen. Dit wetsvoorstel zal dus naar verwachting inhouden dat de kortingsmaand na een ontbindingsprocedure zal worden geschrapt. Dit zal dan niet alleen voor de pro forma ontbindingszaken gelden, maar ook voor de inhoudelijke.
Bron: brief van Minister Donner aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 20 januari 2010 (download)
Bericht geplaatst op 25 januari 2010




