WW-uitkering
Als een werknemer na zijn ontslag nog geen andere baan heeft gevonden, zal hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aanvragen. De werknemer zal dan aan de voorwaarden van de WW moeten voldoen, en zich aan de verplichtingen op grond van de WW moeten houden.
- De aanvrager moet werknemer zijn
- Het begrip werkloosheid
- arbeidsurenverlies
- loonverlies
- beschikbaarheid - De referte-eisen: de wekeneis en de jareneis
- De duur van de WW-uitkering
- De hoogte van de WW-uitkering
- Verplichtingen op grond van de WW
- verwijtbare werkloosheid
- benadelingshandeling
- formaliteiten - De aanvraag van de WW-uitkering
De aanvrager moet werknemer zijn
Als de aanvrager van de WW-uitkering voor het ontslag op grond van een arbeidsovereenkomst of uitzendovereenkomst werkte, is hij een werknemer in de zin van de WW. Maar ook kleine aannemers, musici, topsporters en thuiswerkers worden als werknemer aangemerkt.
Er geldt voor de WW wel een leeftijdsgrens: de aanvrager moet jonger dan 65 jaar zijn.
Huishoudelijk personeel dat normaal gesproken op minder dan drie dagen per week bij iemand anders in de huishouding arbeid verricht, wordt voor de WW niet als werknemer aangemerkt.
Het begrip werkloosheid
Het begrip werkloosheid in de WW komt niet altijd overeen met het begrip werkloosheid in het dagelijks spraakgebruik. Het WW-begrip bevat de volgende elementen:
- arbeidsurenverlies;
- loonverlies;
- beschikbaarheid.
Arbeidsurenverlies
De werknemer moet ten minste 5 of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per week hebben verloren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de werknemer met een dienstverband van 38 uur per week niet gedeeltelijk werkloos is als hij 4 arbeidsuren verliest. De werknemer met een dienstverband van 8 uur per week is wel gedeeltelijk werkloos als hij 4 arbeidsuren verliest.
Loonverlies
Naast een relevant urenverlies, moet er ook loonverlies zijn. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar is het niet altijd.
Stel de werkgever heeft een kapotte machine waardoor hij (tijdelijk) geen werk voor zijn personeel heeft. De werknemers hebben dan urenverlies. Maar de werkgever blijft in die situatie verplicht het loon te betalen, ook over de niet gewerkte uren. Er is dan geen sprake van loonverlies en dus geen recht op een WW-uitkering.
In dit verband moet ook de zogeheten fictieve opzegtermijn worden genoemd. Als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd zonder volledige inachtneming van de opzegtermijn, hanteert het UWV de zogeheten fictieve opzegtermijn. De WW-uitkering gaat pas in na het verstrijken van de fictieve opzegtermijn.
Het UWV mag de fictieve opzegtermijn alleen toepassen als de werknemer een ontslagvergoeding heeft ontvangen. (Een deel van) de ontslagvergoeding wordt dan aangemerkt als loon over de fictieve opzegtermijn. En dan heeft de werknemer in de systematiek van de WW nog geen loonverlies en gaat de WW-uitkering daarom later in.
Als de werknemer geen ontslagvergoeding ontvangt en de opzegtermijn is niet in acht genomen, kan weliswaar geen sprake zijn van een fictieve opzegtermijn, maar de werknemer kan dan wel een benadelingshandeling verrichten. Namelijk in het geval dat gezegd moet worden dat de werknemer door zijn handelen of nalaten een nodeloze vervroeging van de ontslagdatum heeft bewerkstelligd. Het UWV zal dan een sanctie toepassen.
Beschikbaarheid
Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen, moet de werkloze werknemer beschikbaar zijn om ander werk te aanvaarden. Met beschikbaar wordt bedoeld dat de werkloze werknemer niet alleen bereid moet zijn om ander werk te accepteren, maar ook dat hij daartoe in staat moet zijn.
Als bij de aanvraag van de WW-uitkering blijkt dat de aanvrager ziek is, zal hij geen WW-uitkering ontvangen. Hij is immers vanwege de ziekte niet in staat arbeid te accepteren. Deze werknemer kan wellicht wel voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in aanmerking komen. Zie in dit verband ook het onderdeel "De beëindigingsovereenkomst en de Ziektewet".
De referte-eisen: de wekeneis en de jareneis
Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet er een recente band met het arbeidsproces zijn. Hierom geldt de zogeheten wekeneis. In de periode voor de werkloosheid moet de werknemer 26 van de 36 weken hebben gewerkt. (Voor musici en artiesten geldt een andere wekeneis.)
Naast de wekeneis geldt ook een jareneis. De jareneis is niet van belang voor het recht op een WW-uitkering, maar wel voor de de duur daarvan (zie hieronder).
De jareneis houdt in dat de werknemer in de laatste 5 kalenderjaren voordat hij werkloos werd in ten minste 4 kalenderjaren moet hebben gewerkt. Daarbij geldt dat de werknemer in elk van die 4 kalenderjaren over minimaal 52 dagen loon moet hebben ontvangen.
De duur van de WW-uitkering
Als de werknemer alleen aan de wekeneis voldoet, duurt de WW-uikering 3 maanden. Als de werknemer daarnaast ook aan de jareneis voldoet, wordt de WW-uitkering verlengd tot maximaal 38 maanden. De duur van de verlenging is afhankelijk van het arbeidsverleden.
Het arbeidsverleden wordt gesplitst in een feitelijk arbeidsverleden en een fictief arbeidsverleden.
Het feitelijke arbeidsverleden bestaat uit de jaren vanaf 1998 waarin de werknemer ten minste 52 dagen per jaar in loondienst is geweest. Het jaar waarin hij werkloos werd, telt niet mee.
Het fictieve arbeidsverleden bestaat uit de jaren vanaf het jaar dat de werknemer 18 werd tot en met 1997. Het maakt daarbij niet uit of hij in die periode wel of niet heeft gewerkt.
De optelsom van het feitelijk en fictief arbeidsverleden is het totale arbeidsverleden. Voor ieder jaar van het totale arbeidsverleden wordt de WW-uitkering met 1 maand verlengd. Zoals gezegd zal de totale WW-duur echter nooit langer zijn dan 38 maanden.
De hoogte van de WW-uitkering
De hoogte van de WW-uitkering is gelijk aan een bepaald percentage van het laatstverdiende loon. De eerste twee maanden van de uitkering is dat 75%, daarna 70%.
Voor het laatstverdiende loon wordt gekeken naar wat de werknemer gemiddeld verdiende in het jaar voordat hij werkloos werd.
De hoogte van de WW-uitkering is gemaximeerd. De uitkering zal nooit meer bedragen dan 75% respectievelijk 70% van het zogeheten maximum dagloon. Per 1 januari 2010 bedraagt het maximum dagloon € 186,65 bruto, oftewel € 48.715,65 bruto per jaar.
Verplichtingen op grond van de WW
De werkloze werknemer moet een aantal verplichtingen nakomen om zijn recht op WW te gelde te kunnen maken. Hieronder worden de volgende drie behandeld:
- voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt;
- geen benadelingshandeling verrichten;
- voldoen aan een aantal formaliteiten.
Verwijtbare werkloosheid
De werknemer moet voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In (slechts) twee situaties is daarvan sprake:
- De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt. Met "dringende reden" wordt bedoeld dat sprake moet zijn van een ontslag op staande voet situatie.
- De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden als de arbeidsovereenkomst is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kon worden gevergd.
Voor de praktijk is het belangrijk om te weten of een werknemer verwijtbaar werkloos wordt als hij akkoord gaat met een beëindigingsovereenkomst. Dit is niet het geval als:
- de werkgever het initiatief tot de beëindigingsovereenkomst heeft genomen, én
- de reden voor de werkgever om dit initiatief te nemen niet gelegen is in een aan de werknemer verwijtbare dringende reden.
Benadelingshandeling
De werkloze werknemer mag het werkloosheidsfonds niet benadelen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de werknemer berust in een opzegging van de arbeidsovereenkomst zonder opzegtermijn en zonder ontslagvergoeding waarmee de opzegtermijn kan worden gecompenseerd. (Zie ook het begrip fictieve opzegtermijn hierboven).
Als in het kader van een beëindigingsovereenkomst geen rekening wordt gehouden met de werkgeversopzegtermijn - in tijd of geld - pleegt de werknemer ook een benadelingshandeling.
Tot slot als voorbeeld de situatie waarin het UWV de werkgever een loonsanctie heeft opgelegd. Het UWV doet dat als de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen voor de re-integratie van een zieke werknemer. Door de loonsanctie wordt de loonbetalingsplicht tijdens ziekte van twee jaar verlengd. Als de werknemer zich niet verzet tegen een beëindiging van het dienstverband tijdens de loonsanctie c.q. de verlengde loonbetalingsplicht, pleegt hij een benadelingshandeling.
Als de arbeidsovereenkomst door de rechter is ontbonden en de werknemer heeft in de ontbindingsprocedure een ontslagvergoeding en/of de opzegtermijn geclaimd, dan pleegt de werknemer geen benadelingshandeling als de rechter dat verzoek niet honoreert.
Formaliteiten
De werkloze werknemer zal onder meer aan de volgende formaliteiten moeten voldoen:
- uiterlijk 1ste werkdag van werkloosheid daarvan aangifte doen bij het UWV WERKbedrijf;
- binnen een week na intreden werkloosheid aanvraag uitkering indienen;
- inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;
- voorschriften UWV WERKbedrijf naleven.
De aanvraag van de WW-uitkering
De WW-uitkering moet bij het UWV WERKbedrijf worden aangevraagd. Dit kan via de website van het UWV. Daarvoor is wel een DigiD nodig. Dit is een inlogcode voor overheidszaken.
Met de DigiD kan de werkloze werknemer zich op de website van het UWV allereerst als werkzoekende inschrijven. Aan het einde van dat inschrijfproces wordt gevraagd of de werkloze werknemer ook een WW-uitkering wilt aanvragen. Als alles is ingevuld en verstuurd, zal een medewerker van het UWV WERKbedrijf contact opnemen.

